
Joke Baars koestert haar Indische roots
13 augustus 2025 om 15:00 Overigdoor Guus Geebel
advertentie
Op 22 september 1936 werd Joke Koenders in Boyolali op Midden-Java geboren. Vijf jaar later viel Japan Nederlands-Indië binnen. Joke bewaart nog veel kinderherinneringen uit de begintijd van de Japanse bezetting, vooral omdat er altijd veel over gesproken werd. Ook bij het zien van foto’s uit die tijd en van voor de oorlog. ‘Die foto’s zijn voor mij zo levendig. Indonesië voel ik echt als mijn moederland, Nederland is mijn vaderland. Maar als ik daar kom dan ruik je, dan voel je iets dat niet te beschrijven is.’
Haar vader Wim Koenders die in 1888 is geboren, was in de tijd dat Joke geboren werd commissaris van politie en resident en hoofd van het plaatselijk bestuur van West-Borneo. Hij was nadat hij in Nederland de politieschool had doorlopen in 1910 naar Indië gekomen. In Sukabumi heeft hij de politieschool opgericht. ‘Mijn vader was getrouwd met Fien Herst. Hij werd regelmatig ontvangen door sultan Pakubuwono X van Solo. Hij maakte daar mee dat de dochters van de sultan voor hun vader de serimpi dans opvoerden. Hij werd verliefd op een van de dochters en er ontstond een relatie. Toen ze zwanger raakte moest dat geheim blijven want die dochter zou later uitgehuwelijkt worden. ‘Mijn vader kocht toen een huis in Boyolali waarin ik geboren werd’, vertelt Joke. ‘Van de familie van de sultan wist niemand ergens van. Haar biologische moeder kon Joke dan ook niet houden en zij werd na elf dagen bij de vrouw van haar vader in Bandung ondergebracht. Jaren dacht Joke dat de vrouw, die in 1954 in Utrecht overleed, en die haar zo liefdevol verzorgd had haar echte moeder was en dat haar zus Bep een halfzus was.
Titel
Dat dit niet zo was hoorde Joke pas toen zij en haar halfzus in 1985 allebei met hartproblemen in het Diakonessenziekenhuis in Utrecht lagen. ‘Toen mij gevraagd werd of er hartproblemen in de familie voorkwamen vertelde ik dat mijn zuster ook hartproblemen had. Die vertelde pas toen dat ze mijn echte halfzuster niet was en dat we allebei een andere vader en moeder hadden. Dat vond ik zo naar, want ik heb heel veel gehouden van de vrouw die ik als mijn moeder beschouwde en die mij heeft opgevoed. Het voelde als een soort verraad naar haar. Zij heeft mij zo liefdevol ontvangen en verzorgd.’ Joke heeft als dochter van een kind van de sultan in 2024 officieel een Javaanse adellijke titel gekregen. De vier zonen van Joke kregen de Javaanse titel Raden Mas voor hun naam.
Verlof
‘In 1937 ging het gezin met verlof naar Nederland en verbleven ze in Den Haag. Joke bewaart vage herinneringen uit die tijd. Haar vader besloot in 1939 terug te gaan naar Indië omdat er in Europa een oorlogsdreiging was. In januari 1940 kwam de familie daar weer aan en ging in Bandung wonen. Ook in Indië was oorlogsdreiging en Joke herinnert zich dat er zandzakken rondom het huis werden gelegd. In december 1941 viel Japan Nederlands Indië binnen. Haar vader werd daarna gevangengenomen en zat heel lang in een krijgsvangenkamp in Cilacap, later in Bandung in Cihapit en Cimahi. Hij werd in die tijd zwaar mishandeld. Joke met haar moeder, waarvan ze toen nog niet beter wist dan dat het haar echte moeder was, en halfzus Bep werden buitenkampers.
Afgeranseld
Het huis waarin ze in Bandung woonden moesten ze verlaten want dat werd onderdeel van een burgerkamp. ‘We zijn de wijk uit gevlucht naar een andere straat waar naast ons Japanners kwamen in een grote villa. Als buitenkampers moesten we voor alles zelf zorgen. Mijn moeder liep met juwelen op onder haar kleding die ze bij de Chinezen inruilde voor een baal rijst. Joke herinnert zich dat ze kinkhoest kreeg, maar er waren geen medicijnen. ‘Mijn moeder maakte van vruchten uit de tuin een papje dat ze mij gaf en waarvan ik beter werd. Tandenpoetsen deden we alleen met de vingers en blaadjes. Zelf heeft Joke in het kamp niet veel last van de Japanners gehad. Haar moeder werd wel een keer gepakt door de kempeitai (militaire politie) en afgeranseld.
Utrecht
In 1946 repatrieerde het gezin voorgoed naar Nederland. In juni kwamen ze met het motorschip Sumatra aan in Rotterdam. Eerst gingen bij een hospita in de Burgemeester Reigerstraat in Utrecht wonen. Kort daarna verhuisden ze naar de Poortstraat. Omdat Joke in de oorlog niet naar school kon ging ze in Nederland naar een overbruggingsschool. Ze doorliep daarna de rijks hbs in de Kruisstraat in Utrecht. ‘In 1954 overleed de vrouw van mijn vader.’ Joke verhuisde in 1955 naar een broer van haar vader in Delfzijl die daar muziekleraar was. Ze werkte eerst als klerk bij een accountantskantoor in Appingedam. Daarna ging ze naar Groningen en ging werken bij het ministerie van volksgezondheid bij de arbeidsinspectie. Ze trouwde op 16 maart 1957 en ze gingen in Utrecht wonen. ‘Mijn man werkte eerst als jurist bij de voogdijraad in Groningen en werd later directeur van de raad van de kinderbescherming in Amsterdam en Utrecht.’ Haar vader overleed in 1972 in het Bartholomeus Gasthuis in Utrecht.
Opvang
Joke ging in 1974 werken bij het ministerie van VROM in het Witte Huis in Soest bij de opvang van rijksgenoten. Ook was ze werkzaam bij de opvang van Chilenen in de tijd van Allende en de bootvluchtelingen uit Vietnam. In 1980 begon ze met een vriendin een uitzendbureau. Ze stopte daarna met betaald werk en deed veel vrijwilligerswerk. Na bijna twintig jaar is ze in december gestopt als vrijwilliger bij het Diakonessenhuis. Bijna dertien jaar deed ze vrijwilligerswerk bij de Sint Michaelschool in De Bilt waar ze de tussen schoolse opvang regelde. Tien jaar liep ze collecte voor de KWS waarvoor ze een medaille kreeg en in 2024 ontving ze een Koninklijke onderscheiding. Uit haar moederland heeft ze bijna alle gewoontes overgenomen. ‘Ik kan nog lekker Indisch koken.’ Haar man overleed in 1995. Hij is geboren in Ambarawa in Midden-Java en zat tijdens de Japanse bezetting drieënhalf jaar in een jongenskamp. Zijn vader was officier bij het KNIL en werd in de oorlog tewerkgesteld aan de Birmaspoorweg.














