
Slachtoffers Japanse bezetting waardig herdacht
18 augustus 2026 om 12:00 Overigdoor Guus Geebel
advertentie
Zaterdag 15 augustus werden bij het oorlogsmonument naast gemeentehuis Jagtlust in Bilthoven de slachtoffers herdacht van de Japanse bezetting in voormalig Nederlands-Indië. Japan capituleerde op 15 augustus 1945, wat dan wel het einde van de Tweede Wereldoorlog betekende, maar voor de mensen in de kampen was het nog steeds niet veilig. De gevolgen van de Japanse bezetting en de ontberingen die zij moesten doorstaan laten in veel families tot op de dag van vandaag hun sporen nog na.
Na een lange tropisch warme droge periode viel er tijdens de plechtigheid eindelijk wat regen. De muzikale omlijsting bij de herdenking werd verzorgd door het harmonieorkest Kunst en Genoegen uit Maartensdijk onder leiding van John Leenders. Jilles Beijen blies het signaal Taptoe. Rómulo Döderlein de Win van het herdenkingscomité opent de plechtigheid en heet de aanwezigen hartelijk welkom. Hij heeft een bijzonder woord van welkom voor de Utrechtse commissaris van de Koning Hans Oosters, burgemeester Maarten Haverkamp en zijn echtgenote en de familie Baars. ‘Nederland en voormalig Nederlands-Indië zijn op een onvoorspelbaar, dramatische wijze, maar ook mooi, met elkaar verweven en blijvend met elkaar verbonden.’
Verhalen
Burgemeester Maarten Haverkamp benadrukt in zijn toespraak dat de capitulatie voor veel mensen in voormalig Nederlands-Indië niet het einde van het geweld betekende. Na de Japanse bezetting volgde de chaotische en gewelddadige periode van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, die in de Indische gemeenschap vaak wordt aangeduid als de Bersiap, wees paraat. De burgemeester zegt dat deze geschiedenis veel slachtoffers kent en vanuit verschillende perspectieven moet worden bekeken. ‘Ook Indonesiërs hebben zwaar geleden onder oorlog, bezetting en de gewelddadige dekolonisatie. De herdenking is daarom niet alleen bedoeld om historische gebeurtenissen te herinneren, maar ook om ruimte te geven aan de vele persoonlijke verhalen die daarmee verbonden zijn. Als voorbeeld noemt de burgemeester de fotografische tentoonstelling Wat blijft? van Marie-Christine Lekransy, met portretten en verhalen van mensen met wortels in voormalig Nederlands-Indië. Veel van deze verhalen werden binnen families jarenlang verzwegen. Pijn en verdriet werden vaak weggestopt met de gedachte dat men het verleden beter kon laten rusten. Juist daarom is het belangrijk dat deze ervaringen worden verteld en erkend.
Molukkers
De burgemeester benoemt vervolgens verschillende groepen en ervaringen die onderdeel zijn van deze geschiedenis. Hij spreekt over mensen die tijdens de Japanse bezetting in kampen werden geïnterneerd, maar ook over de zogenoemde buitenkampers, die buiten de kampen verbleven maar evenmin veilig waren. Hij herinnert aan de vernederingen, ziekten, discriminatie, honger en onzekerheid waarmee velen te maken kregen. Ook de mensen die door de bezetter tot dwangarbeid werden gedwongen, onder meer bij de aanleg van spoorwegen, wegen en bruggen, worden genoemd. Daarnaast staat de burgemeester stil bij de ervaringen van de Molukse gemeenschap. Hij verwijst naar de geschiedenis van KNIL-militairen en hun gezinnen, die na de oorlog gedwongen naar Nederland kwamen en hier vaak veel langer dan verwacht in tijdelijke opvang verbleven. De recente excuses van de Nederlandse regering aan de Molukse gemeenschap vormen volgens hem een belangrijke erkenning, maar kunnen het geleden verlies en verdriet niet ongedaan maken.
Schaamte
Een bijzonder zwaar onderwerp in de toespraak is het lot van de vrouwen en meisjes die door de Japanse bezetter werden gedwongen om in militaire bordelen te werken. De burgemeester benoemt dit expliciet als seksueel oorlogsgeweld, seksuele slavernij, een oorlogsmisdaad en een misdaad tegen de menselijkheid. Veel slachtoffers zwegen hier decennialang over uit schaamte of onder maatschappelijke druk. Voor sommige families werkt dit trauma nog altijd door. Ook de ontvangst van mensen uit voormalig Nederlands-Indië in Nederland na de oorlog krijgt aandacht. Veel repatrianten en ontheemden kregen te maken met beperkte opvang en weinig begrip voor wat zij hadden meegemaakt. Sommigen verbleven zelfs in voormalige kampen of barakken en moesten hun ervaringen voor zichzelf houden. Dit leidde tot wat later het Indische zwijgen werd genoemd. Dat zwijgen kon ook volgende generaties raken. Kinderen en kleinkinderen bleven soms met vragen zitten zonder antwoorden te krijgen.
Betrokkenheid
De burgemeester sluit af met de boodschap dat oorlog en verlies generaties lang kunnen doorwerken, ook lang nadat de wapens zijn neergelegd. ‘De jaarlijkse herdenking op 15 augustus biedt daarom ruimte aan al deze verschillende verhalen. Welke persoonlijke reden iemand ook heeft om aanwezig te zijn, ieder verhaal doet ertoe en iedereen mag er zijn. Met die erkenning en betrokkenheid wil de gemeente bijdragen aan het zichtbaar maken en doorgeven van de geschiedenis.’
Derde generatie
Vervolgens krijgt Raden Adjeng dr. Susanne Baars het woord. Zij is de achter-achter-kleindochter van Soesoehoenan Pakubuwono X, Sultan van Soerakarta, en de derde generatie kleindochter van betrokkenen bij de Japanse bezetting. ‘Geschiedenis begint bij mensen, niet bij een oorlog een jaartal of een politieke gebeurtenis’, zegt zij. Haar aanwezige oma was zes jaar toen de oorlog in Nederlands-Indië uitbrak. In 1942 moest zij plotseling haar huis in de wijk Tjihapit in Bandung verlaten. De wijk werd afgesloten en veranderde in een interneringskamp met prikkeldraad en wachttorens. Haar oma noemde het later een kippenren. Oma’s Hollandse vader werd afgevoerd naar een krijgsgevangenenkamp. ‘Voordat hij verdween, zei hij tegen haar moeder: Joke mag het kamp niet in.’ Omdat haar moeder Javaanse was, bleef oma buiten het kamp, maar veilig waren ze niet. Mensen verhongerden, werden vernederd, geïntimideerd en doorstonden ontberingen. Susanne’s opa was een blanke man, geboren in Nederlands-Indië. Hij was zeventien toen hij in een jongenskamp in zijn geboorteplaats Ambarawa werd geïnterneerd. Zijn vader werd weggevoerd naar de Birma-spoorlijn en zijn moeder en jongere broer kwamen in een vrouwenkamp terecht.’
Wreedheden
‘Het gezin werd uiteengerukt. Niet weten of je vader, moeder, je broertje nog leeft. Niet weten of je elkaar ooit terugziet. Je staat alleen en moet overleven. Mensen werden gemarteld, leden honger en kregen te maken met wreedheden. Om te overleven sloop opa soms ‘s nachts weg om vis te vangen, die hij levend opat. Later at hij nooit meer vis. Voor de mensen in Nederlands-Indië eindigde de oorlog niet op de dag van de capitulatie. Mijn oma vertrok per schip naar Nederland. Mijn opa moest, zoals velen, vrijwel rechtstreeks vanuit het kamp opnieuw een oorlog in, bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, het KNIL Hij was uitgeput, verzwakt en getekend. In het machtsvacuüm dat ontstond na de capitulatie begon de Bersiap. In de strijd om onafhankelijkheid vond extreem geweld plaats. Duizenden burgers werden vermoord om wie zij waren, of met wie zij verbonden waren. Mijn opa moest tegen Indonesiërs vechten, terwijl hij hen als zijn eigen volk beschouwde. Nergens laat oorlog zich zo scherp zien als wanneer liefde, vriendschap en verbondenheid levensgevaarlijk worden.’
Discriminatie
‘Bij deze herdenking herdenken wij allen die door de oorlog tegen Japan en de gevolgen daarvan werden getroffen. De mensen binnen en buiten de kampen, krijgsgevangenen, dwangarbeiders en romusha’s. Zij ondergingen geweld, marteling en seksueel geweld. Militairen en burgers werden gedood of gewond. ‘Ook hen die tot op de dag van vandaag niet zijn gezien of erkend, herdenken wij vandaag’, aldus Susanne. Zij gaat ook in op de velen die terugkeerden. ‘Maar hoe keer je terug naar een land waar je nooit hebt gewoond. Hoe keer je terug als het thuis dat je kende niet meer bestaat. Velen kwamen met nauwelijks bezittingen, in een totaal ander klimaat, in een andere cultuur. Er was geen acceptatie, maar discriminatie. De eerste generatie had de oorlog zelf meegemaakt, maar er was geen belangstelling en ruimte voor hun verhaal. Over wat achter hen lag, werd vaak gezwegen, het grote Indische zwijgen. Mijn oma zette zich later in voor de opvang van Surinamers en kwetsbare mensen. Mijn opa wijdde zijn leven aan de bescherming van kinderen, als Directeur van de Raad voor de Kinderbescherming.’
Doorgeven
De tweede generatie, de kinderen van de overlevenden, groeide op in dat nieuwe bestaan en bouwde verder. Susanne’s vader zegt daar zelf over: ‘Wij wisten het eigenlijk niet en vroegen er ook niet naar.’ De derde generatie waartoe Susanne behoort zegt: ‘Wat niet is vastgelegd, heeft daarom nog wel plaatsgevonden. Zij hoopt dat deze geschiedenis haar plaats krijgt in onze gezamenlijke Nederlandse geschiedenis en in ons onderwijs. Wie geschiedenis doorgeeft, draagt de verantwoordelijkheid haar zo volledig en waarachtig mogelijk te vertellen. De getuigenissen van onze grootouders en ouders laten zien wat er gebeurt wanneer een mens niet langer als mens wordt gezien. Oorlog drijft mensen uiteen. Herdenken brengt mensen weer bijeen.’ Susanne eindigt haar bijdrage met: ‘Moge God ons de moed geven de waarheid te zien. De verhalen door te geven en bruggen te bouwen waar geschiedenis ze afbrak en scheidslijnen trok. Met de belofte elkaar nooit te vergeten als mens.’
Kranslegging
Er worden vervolgens drie kransen gelegd. Commissaris van de Koning, Hans Oosters legt namens het provinciebestuur de eerste krans. Burgemeester Haverkamp, namens het gemeentebestuur van gemeente De Bilt de tweede en de derde door Annemiek Bovée en Susanne Baars. Na de kranslegging blaast Jilles Beijen van Kunst en Genoegen het taptoesignaal waarna een minuut stilte volgt. Daarna speelt het harmonieorkest twee coupletten van het Wilhelmus en gaat de halfstok hangende vlag in top. De commissaris van de Koning opent vervolgens het defilé langs het monument. Traditioneel wordt de herdenking afgesloten met koffie, thee en spekkoek.
















