Afbeelding
.

Op ‘t bankje

2 juni 2026 om 18:00 Overig
advertentie

Met een stralende blik komt de jonge vrouw achter een kinderwagen aanlopen. Ze buigt af en toe naar voren en zegt dan wat tegen het kind in de wagen. Dat ziet een vertrouwd gezicht en blijft daarom waarschijnlijk stil. De jonge moeder besluit bij me op het bankje te komen zitten. Ze groet me met een knik en buigt zich daarna meteen weer over de kinderwagen. ‘Waar is mijn lieve prinsesje dan’, hoor ik haar zeggen. Als ze weer overeind komt zie ik het kleine meisje met grote blauwe ogen de wereld inkijken en misschien denken je ziet toch waar ik ben. Even later sluit ze haar ogen en vertrekt naar dromenland. De moeder ziet dat het goed is en als ze weer zit vraag ik: ‘Hoe oud is je prinsesje.’ Met een stralende blik zegt ze: ‘Ze is vier maanden, veertien dagen en….’, ze kijkt op haar horloge en je ziet haar tellen en dan komt ze uit op zes uur. Duidelijker kan ze niet maken dat ze elk uur van de dag met haar kindje bezig is. ‘Is het de eerste’, vraag ik. Ze knikt trots en zegt: ‘Ja, en we zijn er zo gelukkig mee. Het heeft ons leven wel heel erg veranderd. We gingen vaak uit, maar dat is er nu niet meer bij.’ Zo te zien lijdt ze er niet onder. Om haar toch een oplossing te geven suggereer ik: ‘Je kan af en toe toch een oppas nemen.’ Ze kijkt me aan alsof ik een oneerbaar voorstel heb gedaan. ‘Ik zou me geen moment rustig voelen’, zegt ze. ‘We gaan volgende week een weekendje naar de Ardennen. Vrienden van ons hebben daar een huisje waar we kunnen logeren, maar ik zie er heel erg tegenop. Fleurtje logeert dan voor het eerst bij mijn schoonmoeder. Een schat van een mens hoor, maar ik zie er toch tegenop haar bij haar achter te laten.’ Ik kan een glimlach niet onderdrukken en zelf vindt ze het kennelijk ook wel grappig. ‘Mijn schoonmoeder gaat zo lief met het kind om, maar ja, bij zo’n eerste is het moeilijk om die achter te laten. Gelukkig kunnen we elke dag appen.’ Op dat moment komt er een moeder voorbijfietsen. Ze heeft één kind voorop, één achterop en een iets groter kind op een kinderfietsje ernaast. Ik kan niet nalaten om te zeggen: ‘Ik denk dat zij heel gelukkig zou zijn als haar schoonmoeder die kinderen een weekendje zou willen nemen.’ Ze bekijkt het tafereel aandachtig en zegt dan: ‘Ja, en wij willen er nog wel een paar bij hebben. Misschien denk ik er dan ook wel anders over.’ Vooralsnog heeft ze alle aandacht voor haar eersteling. ‘Zo, nu gaan we maar naar oma. Eerst nog een paar taartjes bij de bakker halen’, zegt ze haar hoofd vooroverbuigend tegen de kleine. Maar die slaapt rustig door en als zij al hoort wat ze zegt, zal ze wel denken: ‘Je kletst maar een eind weg.’ De vrouw beschouwt haar slapen waarschijnlijk als toestemming om verder te gaan. ‘Dan gaan we er maar vandoor.’ Met dezelfde stralende blik als ze gekomen is gaat ze ook weer verder. Ik probeer me de situatie over vijftig jaar voor stellen als de kersverse moeder zelf kleinkinderen heeft. Zou ze dan hetzelfde ervaren als nu. Ik denk het haast wel want ik hoor altijd van opa’s en oma’s dat ze veel voorzichtiger met kleinkinderen omgaan dan dat ze vroeger met hun eigen kinderen deden. Maar deze jonge moeder zal als ze er meer krijgt ook wel anders dan nu met haar kinderen omgaan. 

Maerten