
Op ‘t bankje
31 maart 2026 om 18:00 Overigadvertentie
De oudere vrouw die vriendelijk glimlachend bij me op het bankje is komen zitten ziet er stralend en keurig gekleed uit. Ze draagt een chique bril met een gouden montuur en heeft een heel mooi grijs kapsel. ‘U ziet er fantastisch uit’, zeg ik haar bewonderend aankijkend.’ Verlegen wordt ze er niet van. ‘Ik kom net van de kapper dus kan ik me nu best even laten bekijken’, zegt ze lachend. Ze is de complimentjes vast wel gewend. De vrouw past helemaal bij het mooie lenteweer en de vele bloemen die overal staan te pronken. Ze kijkt genietend naar die fraaie kleurenpracht. ‘Het voorjaar geeft me altijd een heel fijn gevoel’, zegt ze. ‘Het maakt me nog gelukkiger dan ik al ben, want ik heb niets te klagen. Nou ja, niets, mijn kleindochter gaat voor een jaar naar Argentinië en die zal ik erg missen.’ Ze kijkt even stil voor zich uit alsof ze zit na te denken of ze mij er meer over wil vertellen, maar in een vredige omgeving als deze gaat dat vanzelf. ‘Toen mijn kleindochter een paar jaar geleden in Utrecht ging studeren vroeg ze of ze bij mij mocht komen wonen. Mijn man was kort daarvoor overleden en ik vond het een uitstekend idee. Ze is een heel lief kind, van kleins af aan al en we hebben het altijd goed met elkaar kunnen vinden. Toen ze klein was ben ik nog een tijdje oppasoma geweest, dus we kenden elkaar door en door.’ Ze zwijgt weer even met een tevreden trek op haar gezicht. ‘Ze kreeg bij mij de hele bovenetage, dus had ze alle ruimte om ook vrienden en vriendinnen te ontvangen. Die bleven ook vaak slapen. Ik heb er nooit last van gehad. Nu ben ik een beetje doof, dus als er wat meer herrie was deed ik gewoon mijn gehoorapparaatje uit. Ik vind het heel plezierig dat ze in huis is. We doen een heleboel dingen samen. Ik kook vaak voor haar, zij wat minder voor mij, omdat ik wat eten betreft een beetje ouderwets ben en ik vind al die buitenlandse gerechten niet zo lekker. Ze is vooral gek op mijn soep. Ook haar vriendinnen trouwens, want die weten dat er altijd verse soep is.’ Ze is duidelijk heel trots op haar kleindochter. ‘Ze kan heel goed studeren en zal het vast heel ver brengen. Maar nu gaat ze dus eerst naar Argentinië. Ze heeft al gevraagd of ik bij haar op bezoek wil komen, maar ik ben bijna tachtig, dus ik weet niet of ik dat doe. Ze neemt me altijd graag ergens mee naar toe, naar de schouwburg of tentoonstellingen. Dan wil ze met me pronken, zegt ze, maar ik pronk meer met haar hoor, want het is een knappe meid.’ Met aandacht hoor ik haar verhaal aan. ‘Het zal voor u wel erg stil worden als ze in Argentinië zit’, zeg ik. Ze kijkt me weer met een gelukkige blik aan. ‘Natuurlijk vind ik het jammer dat ze na al die jaren weggaat, maar haar zusje gaat ook in Utrecht studeren en heeft gevraagd of ze bij me mocht komen wonen. Dat is toch fantastisch dat ze liever bij oma zitten dan zelfstandig op een kamer. Ik leg ze trouwens geen strobreed in de weg. Ik hoef ze gelukkig niet meer op te voeden. Mijn vriendinnen zijn soms wel een beetje jaloers, want die zien hun kleinkinderen over het algemeen niet zo vaak. Grappig, ik zie ze zelfs meer dan hun eigen moeder ze ziet.’ Haar enthousiaste verhaal geeft mijn lentegevoel een extra dimensie.
Maerten













