Logo vierklank.nl

De Hongerwinter van '44-'45

door Bernard Schut

Er was geen eten, geen warmte, geen licht en het was koud, bitter koud die laatste winter van de oorlog, die al meer dan vier jaar duurde, de Hongerwinter.

Het zuiden van Nederland was in 1944 door de geallieerden bevrijd, maar de bevrijding vanuit het zuiden stokte bij de grote rivieren. En zo werd Nederland ten noorden van de grote rivieren nog steeds bezet door de Duitsers. In september '44 lanceerden de geallieerden een groot offensief bij Arnhem, Market Garden. Met het oog daarop kregen de Nederlandse Spoorwegen uit Londen, waar de Nederlandse regering naar toe was gevlucht, de opdracht om het vervoer te staken. Maar Market Garden mislukte compleet, de Duitsers waren woedend en namen wraak, de toevoer uit de noordelijke provincies achter de IJssel werd geblokkeerd. En dat betekende geen aanvoer van voedsel. Toevoer van kolen uit de Limburgse mijnen was natuurlijk eveneens onmogelijk. En het vroor de gehele maand januari dat het kraakte. Rantsoenen, gaarkeukens, suikerbieten, bloembollen, voor wie geld had de zwarte markt, het kon de nood niet lenigen. In januari 1945 stierven daardoor aan de honger in Nederland meer dan 20 000 mensen.

Honger in De Bilt
Natuurlijk was de ellende groter in de grote steden dan op het omringende platteland; waar je nog wel aan hout kon komen, boeren soms bereid waren om waardevolle spullen (lakens bijvoorbeeld) te ruilen voor voedsel, en je zelf nog iets kon oogsten in je eigen tuin. Maar ook in onze gemeente heerste de honger en werden hongertochten ondernomen naar het boerenland achter de IJssel. Ook uit De Bilt werden kinderen in veiligheid gebracht in de noordelijke provincies om aan de honger te ontsnappen. Ook in De Bilt bestond een netwerk van gaarkeukens. Of er suikerbieten tulpenbollen gegeten zijn? Ik vermoed van wel, in ieder geval wel aardappelschillen. Vrouwen die voor de Duitsers in ruil voor de schillen aardappels geschild hadden, werden na de oorlog veroordeeld voor collaboratie en vastgezet in Fort De Bilt.

Ooggetuigen vertellen
Er bestaan diverse verslagen van ooggetuigen. Zeer uitvoerig is het dagboek van mevr. Van Bodegraven, dat verspreid over veel afleveringen in De Biltse Grift is afgedrukt. Al in juni 1941 klaagt ze over de prijs van het voedsel. De boter kost 2,60 gulden per kilo.(Ik zal in het vervolg proberen steeds de vergelijking met een pond/kilo boter te maken). Februari 1942: Van alles is er niets. (…) Als je geen voorraad in huis hebt is het honger en kou lijden. Vreselijk soms wordt je er moedeloos van. En dan zitten we pas in februari 1942! September 1942: Vandaag hebben Pa en Jan de boerenkool, bruine en witte bonen van het land gehaald, voordat een ander het doet, want alles hangt van ruil en diefstal aan elkaar. Juni 1944: boter 35 gulden per pond. 14 september: Op heden is er geen boter, geen kaas, geen peulvruchten enzovoort, enzovoort. Aardappels schaars. (…) Vlees is er al in geen 14 dagen te koop. Vis zie je helemaal niet. 26 december: Gelukkig hebben wij nog hout om te stoken en nog wat te eten, al is het mondjesmaat en verschrikkelijk veel geld kost het. Een pond boter kost inmiddels 60 gulden, 1 kilo suiker 28 gulden. Waarbij je je moet bedenken dat voor een correcte vergelijking met onze tijd je de getallen tenminste met 6 moet vermenigvuldigen (1 gulden 1944 is 6.37 euro 2018). Op 26 januari 1945: Duizenden mensen overal vandaan gaan er op uit om eten machtig te worden, op fietsen zonder banden en lopende met kar of kruiwagen. Er zijn mensen die lopen van Den Haag of Rotterdam naar Friesland en Drenthe enz. Afstanden van dagen en gaan dan onderdak vragen bij boeren, burgers of evacuatiebureaus. (…) er is letterlijk niets meer te koop, alleen nog ruilhandel bestaat er. Bij de bakkers worden bontmantels, zilveren lepeltjes, gouden ringen, wat maar waarde heeft aangeboden voor brood.
Op 6 maart lijkt het ergste leed dan geleden: Vandaag hebben we het brood en de boter uit Zweden ontvangen. Bij verschillende kruideniers was het verkrijgbaar. Het kostte niets. Het waren schitterende ouderwetse witte broden en over heerlijke margarine. Zo gauw toen het binnen was hebben we meteen 2 sneden brood met boter opgegeten. Het smaakte als het heerlijkste gebak …
De hierboven genoemde prijzen worden bevestigd door aantekeningen van Jan de Groot: boter kostte in november '44 -uiteraard clandestien- 40 gulden per pond, suiker 35 gulden per kilo. Uiteindelijk heeft de familie Van Bodegraven die een kantoorboekhandel bezat en dus nog iets te ruilen had, de oorlog betrekkelijk goed doorstaan.  Anderen hebben veel meer ellende gekend. Bijvoorbeeld de in de hongerwinter achttienjarige scholier Bob Janssen. Hij was september 44 ondergedoken bij zijn moeder in de Overboslaan om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Alle mannen van 18-45 jaar moesten naar Duitsland of doken onder. Januari 45 overleed zijn moeder. En toen werd zijn situatie heel slecht. Overdag kon hij de straat niet op. Hoe wist hij te overleven? Ik  kwam toen om aan eten te komen in contact met een zwarthandelaar, een half-criminele figuur, waarmee ik meubels uit het huis ruilde tegen eten: een tafel met zes stoelen voor een zak aardappelen. Geleidelijk werd het huis leger. Wanneer het donker was  kon ik het bos hierachter in, om hout te sprokkelen, ook om strikken te zetten. Ik heb nooit wat gevangen. Wel heb ik een keer een konijn uit een strik van een ander gehaald. Op het laatst plukte je brandnetels en kookte er soep van om nog iets te eten te hebben. Zo heb ik het einde van de oorlog gehaald. Ik heb enorme honger geleden.
Ton de Wit uit de Burg. de Withstraat De Bilt besteedde die winter zijn tijd meer aan de voedselvoorziening dan aan school; zijn schoolrapport  44-45 is niet ingevuld, en niet alleen omdat de school gevorderd was. Met zijn helblonde haren zag hij er uit als het prototype van een Ariër, misschien dat het hem daarom makkelijker lukte om binnen te komen in het hotel aan De Holle Bilt en hotel Poll waar Duitsers gelegerd waren. Waar mogelijk stal hij voedsel. Aardappels bij hotel Poll. En bij de bakker op de hoek van de straat bemachtigde hij van die linnen meelzakken met restjes , waar zijn moeder dan weer beukennoot of tamme-kastanje koekjes van bakte. Ze pofte de nootjes in de oven van het fornuis, maalde ze in de koffiemolen en bakte ze dan met een restje meel. Een traktatie! Van de zakken kon ze kleren maken. Ook dat laatste is kenmerkend.

Hongertochten
Over de hongertochten in de hongerwinter herinnert Margreet Barkmeijer zich: Mijn vader ging op zijn fiets met massieve banden op weg naar Gelderland en ik geloof ook naar Friesland, om eten te kopen. Zulke 'hongertochten' werden door veel mensen gemaakt. Het is haast niet voor te stellen; zulke tochten terwijl hij zelf zo'n honger had. In het begin nam hij van huis wat koffie en thee mee, aangezien hij bij een kantoor werkte dat handelde in deze producten. De boeren ruilden dit graag tegen aardappelen. Toen dat ook opraakte nam hij mijn moeders gouden horloge mee om te ruilen. Het was haar huwelijksgeschenk. Mijn moeder en vader kochten ook ergens bloembollen en suikerbieten. Die bloembollen werden gebakken in een beetje raapolie of gekookt, maar daar werden we misselijk van. De suikerbieten werden ook gekookt en daar maakten we stroop en een soort pulp van. We gingen zelfs bij mensen bedelen om pulp. 's Avonds bij een oliepitje zaten we soms rond de tafel te zingen …
Wat mevr. Barkmeijer schrijft is goed om je te realiseren: het waren al sterk ondervoede mensen die de hongertochten ondernamen! Hetzelfde geldt ook voor de in dit verband niet vermelde verzetsdaden, bijvoorbeeld de mislukte en vaak aangehaalde aanslag op de spoorlijn van 8  november, het waren ondervoede mannen of jongens die dergelijke waagstukken ondernamen.
Een gedetailleerd en beeldend ooggetuigenverslag van een dergelijke hongertocht vanuit De Bilt is te vinden bij de historicus Herman von der Dunk: Op de oude straatweg naar Amersfoort bewoog een ononderbroken stoet door de koude schemerige wintermorgen die het aanzien had van een oudtestamentische tocht naar het land Kanaän door Rembrandt geëtst: alle leeftijden, oud en jong, van moedertjes tot jongens nauwelijks half opgeschoten, velen in rafelige kleren, versleten jassen, kapotte dassen, paardendekens, rare hoofddeksels, petten, mutsen van velerlei vorm, klompen, schoenen met gaten, vreemde laarsjes of lappen en kartonnen zolen om de voeten gewikkeld, duwend achter fietsen, bakfietsen en handkarren met lege tassen, sommigen vanuit Rotterdam al twee of drie dagen onderweg. Allen gingen in oostelijke richting de opkomende winterzon tegemoet die bij Amersfoort langzaam door de rozige mist brak. Daarnaast fietsers op houten banden of gewoon op de nood, kortom: Holland in nood en op pad.
De lange weg naar Apeldoorn, eerst door polderland tot voorbij Voorhouten en dan eindeloos door dennenbossen, was toen aanzienlijk langer dan vandaag en dan kwam nog het open IJssellandschap en de brug bij Deventer.

Met dit perspectief op een betere toekomst achter de horizon -dat was waar men het mee moest doen- eindigt dit verhaal over de barre winter van 44-45. Overigens duurde het nog tot in '52 voordat het laatste product (koffie) van de bon was, d.w.z. vrij verkrijgbaar. De woningnood echter is in feite nooit meer verdwenen.

Meer berichten