
De komst van het licht in Maartensdijk (1)
23 december 2022 om 14:00 AlgemeenAan het einde van het tweede millennium begon elektriciteit als bron van kracht en licht veld te winnen in Europa. Zwitserland lag al gauw aan de kop met deze energievoorziening. Dat land maakte uiteraard goed gebruik van zijn speciale krachtbron, de zgn. witte steenkool.
advertentie
Maar Nederland sloeg toch ook geen gek figuur. Na 1890 ging er geen jaar voorbij, waarin niet in een of meer gemeenten elektrische centrales verrezen. Ook in onze omgeving was deze penetratie merkbaar. Bijvoorbeeld: in 1899 kregen Hilversum en Abcoude een centrale en in 1900 Driebergen. In augustus 1901 werden op het station aldaar de petroleumlampen definitief weggenomen. Het emplacement werd in het vervolg geheel elektrisch verlicht. De aansteker had zijn dienst gedaan. Het aandoen en blussen der lampen kon nu op afstand geschieden en met een simpele knop. Het een en het ander was zelfs mogelijk zónder menselijke bediening, met een uurwerk. Dat heette automatisch.
De Biltse centrale
De Bilt had rond 1900 ook plannen om elektriciteit op te wekken en te geleiden. Maar het gemeentebestuur was in dubio: zelf doen of uitbesteden. Bovendien was in die jaren gas toch ook nog altijd een optie voor verlichting. De Bilt koos tenslotte voor elektriciteit én het verlenen van een concessie aan particulieren. In 1905 werd de ‘Electriciteit-maatschappij de Bilt’ opgericht. Initiatiefnemers waren de heren Wolff uit Maarssen en Sevenhuysen uit Soesterberg. In de Nieuwstraat werd een centrale gebouwd. Vanaf begin 1906 produceerde deze elektriciteit. De eerste stroom werd geleverd voor de straatverlichting van het prille villapark ‘Vogelzang’. Deze moderne verlichting en de mogelijkheid van particuliere aansluiting maakten vervolgens het wonen in ‘Vogelzang’ en omgeving nog aantrekkelijker. Deze villabouw aan de zuidkant van De Bilt Station zou blijken de eerste fase te zijn van een stormachtige ontwikkeling van bouwactiviteiten. In 1917 kreeg die riant bebouwde omgeving officieel de naam Bilthoven. Voor de elektriciteitsmaatschappij werd Bilthoven een rendabel afzetgebied. In de loop de jaren kwamen er ook in de minder rendabele delen van deze gemeente elektrische straatlantaarns en huisaansluitingen. Op zeker moment bereikten de bovengrondse verbindingen hier en daar de grens met de gemeente Maartensdijk.
Maan en stallantaarn
Maartensdijk had geen gas en was zich van geen stroom bewust. Het ging er ‘s avonds nog als vanouds. Het gehele, omvangrijke grondgebied der gemeente werd in het duister gedompeld. Een verjaardag werd overdag gevierd. Bezoekende familie ging ver voor het donker weer huiswaarts, te voet of met de sjees. Alleen de maan fungeerde op gezette tijden na zonsondergang als lichtbron. Avondvergaderingen waarop gasten van verre waren uitgenodigd werden doorgaans dan ook in een week met lichte maan gepland. B en W en de raad namen overigens op dit punt geen enkel risico. Zij hielden hun maandelijkse zittingen bij daglicht, meestentijds ‘s morgens vanaf 10 uur. Dat gaf nooit problemen. Immers geen der raadsleden had een betrekking met vaste werktijden ‘op de dag’. Zij waren allen eigen baas, hetzij als veehouder, kweker of grootgrondbezitter. Niet dat het houden van een avondvergadering ten gemeentehuize onmogelijk was. Maar het had dan gemoeten bij het schijnsel van een petroleumlamp. Dat was de lamp geworden van het platteland. Voor binnen was deze uitgevoerd met een lampenglas. Het boerenbedrijf kende ook nog de stormlamp en de stallantaarn. De laatste werd wel gebruikt bij het melken in de koestal.
Straatlantaarns
De gemeente droeg zorg voor verlichting van de publieke ruimte. Over het grondgebied verspreid waren er naar schatting een twintigtal ijzeren palen met een petroleumlantaarn erop, zgn. lantaarnpalen. Die waren uiteraard geplaatst bij gedeelten van de openbare weg, die in het donker gevaar opleverden. Daarbij ging het vooral om de bruggen over vaarten en weteringen. Zo stond er bijvoorbeeld schuin tegenover het (oude) café ‘De Groenekan’ in de berm van de Maartensdijkse Vaart zo’n witgeschilderde paal. De lantaarn ervan kon de brug in de straatweg naar Maartensdijk verlichten, maar toch ook enigszins de dichtbij gelegen zgn. polderbrug. De laatste gaf toegang tot de Ruigenhoekse Dijk. Gezien haar omvattend bereik leek deze illuminatie dus effectief opgesteld. In 1901 werd óp de dijk, ter hoogte van de woning van C. van Brenk, ook nog een lantaarn geplaatst.
Blauwkapel telde op zijn minst twee openbare lantaarns. Deze nederzetting was sedert 1820 geheel omringd door een brede fortgracht. Op de twee plaatsen waar de oude weg van Utrecht naar Maartensdijk deze gracht passeerde lag een brug. Bij elk zo’n brug stond een lantaarn. Dat laatste was al evenzo het geval bij de tolboom aan de Ezelsdijk en die bij het gemeentehuis. Op de Achterwetering stonden drie lantaarns, een ervan bij de in de weg scheefliggende brug. Een enkele keer kwam er een lichtpunt bij. Maar een verzoek van ingezetenen om een straatlantaarn werd sporadisch ingewilligd. Dat ondervond aannemer Willem Melis Reijerse. Hij vroeg in 1895 om een lantaarn tussen Groenekan en Blauwkapel. Het verzoek werd in de raadsvergadering van augustus zonder meer afgewezen. De locale overheid ging spaarzaam om met licht. De raad hield ook de goedkeuring van elke uitgave ter zake van openbare verlichting aan zich. In september 1896 werd bijvoorbeeld ingestemd met de aanschaf van een (lantaarn)paal, twee koperen lantaarns en een ladder. Volgens bijlagen bij de rekeningen werd een en ander in 7 jaar afgeschreven.
Een klacht
Het voorstel om de gemeente ‘s avonds te verlichten was om en nabij 1880 gedaan door bewoners van de Achterwetering. In antwoord erop kocht de gemeente, na aarzeling, in oktober 1880 de vier eerste lantaarns. Die werden geplaatst op de volgende locaties: op de Dorpsweg bij de overweg, bij de brug van de Achterwetering, in Groenekan schuin tegenover de herberg en in Blauwkapel bij de voormalige viersprong.
Mogelijk werd aanvankelijk nog gedacht aan verzorging van deze straatverlichting door omwonenden. Maar al gauw werd besloten het aansteken en zgn. blussen der lantaarns in de nazomer publiek aan te besteden. Jarenlang werd dit werk gegund aan dezelfde personen. Een enkele keer wordt in de notulen van de raad wel eens geklaagd over de betreffende taakbehartiging. Raadslid en kweker H. Copijn maakte in de vergadering van 20 november 1900 opmerkingen over het slechte branden van de lantaarns in Groenekan. Het vervoer van bomen per mallejan gebeurde vaak na zonsondergang vanwege de lengte van het transport. Enig schijnsel van kunstlicht zal bij zo’n operatie niet overbodig zijn geweest. Aansteker was toen M. van Mansom. Wat er precies aan zijn werk schortte valt slechts te gissen. Misschien liet hij de lampen op een laag pitje branden teneinde olie te sparen. Hij woonde in Blauwkapel. Mogelijk hield hij in bepaalde omstandigheden het verre Groenekan ‘s avonds voor gezien. Als antwoord op de klacht van Copijn zegde burgemeester Quarles van Ufford toe de lantaarnaansteker hierover te onderhouden. De afstanden mochten hier relatief lang zijn, de communicatielijnen waren kort.
Instructie en controle
In de jaren ná 1900 werd een aansteker áángewezen. Meestal was het dan iemand, die niet ver af woonde van een of enkele van zulke potentiële lichtpunten. De persoon in kwestie kreeg per paal een vast bedrag per jaar alsmede beschikbaarstelling van brandstof. Een en ander overigens op voorwaarde, dat hij zich zorgvuldig hield aan de instructie. Die hield in, dat de openbare verlichting behoorde te branden tussen even na zonsondergang en ‘s avonds half elf. Maar niet in de zomermaanden en nóóit als de maan voldoende licht bood. Ook het onderhoud van de toevertrouwde lampen behoorde bij het takenpakket. Veldwachter Fenijn deed zijn naam eer aan door scherp toezicht te houden op de uitvoering van dit gemeentelijk verlichtingsbeleid. Soms stonden gunstige weers- en wegomstandigheden hem toe in de avonduren de dienstfiets te gebruiken. Die was voorzien van een (gevulde) carbidlamp. Ook als het rijwiel niet in beweging was bleef zo’n lamp branden. Fenijn in het donker op pad, hetzij rijdend of stilstaand, was op grote afstand waarneembaar. Of een aansteker een boete of iets dergelijks kreeg na een eventuele melding van nalatigheid kon niet worden vastgesteld.
Een opsteker
Vanaf omstreeks 1900 was Willem van Beerschoten belast met het aansteken van de lantaarns in Groenekan en Blauwkapel. Hij had indertijd met succes naar de betaalde werkzaamheid als aansteker gedongen. Dat had zo zijn reden. Van Beerschoten woonde ‘achter in de Groenekan’, niet zo ver van de spoorlijn naar Amersfoort. Hij had kruidenierswaren aan huis en bezorgde met een hondekar bij mensen petroleum. Hij had dit ontvlambare goedje altijd in voorraad. De gemeente hoefde dus de petroleum voor de straatverlichting niet bij hem te bezorgen. Daarenboven wist hij als petroleumboer een en ander van de technische perikelen van deze vorm van verlichting. In Groenekan ging het om drie lantaarns: een bij de brug voorbij de molen, die tegenover Beijloo en dan nog een lamp meer richting De Bilt bij het deftige huis van Dolman. Tot april 1907 vulde en bediende deze Willem ook de twee gemeentelijke lantaarns te Blauwkapel. Maar bij sneeuw e.d. was dat wel eens moeilijk te doen. Het ware tenslotte beter deze taak op te dragen aan iemand aldaar. Dat werd in september van dat jaar J. Witteveen, de lantaarnopsteker van de Hervormde kerk in M’dijk. De aanduiding ópsteker zou er op kunnen duiden, dat de (niet-openbare) lantaarn bij deze kerk was voorzien van een kaars. Tot slot dient nog vermeld, dat de bediening van de lantaarns bij de tollen een zaak was van de tolgaarders.
Steinenburg
Elders in de regio schoten de lokale elektrische centrales als paddenstoelen uit de grond. Het traditionele lichtbestel van Maartensdijk bleef evenwel nog onaangetast. Maar in het zuiden van de gemeente, daar bij de Biltsche straatweg, was toch iets gaande. Voor een goed begrip volgt eerst de nodige informatie. Een gedeelte van genoemde straatweg lag op Maartensdijks grondgebied. Welnu aan de noordzijde van dat weggedeelte ontwikkelde zich na 1903 een villawijkje, Steinenburg genaamd.
Wordt vervolgd………………….
Rondom deze (kerst-)tijd en jaarwisseling wordt de gemeenteraad van De Bilt voorgesteld besluiten te nemen tot de realisatie van een zonnepark met een maximale instandhoudingstermijn van 30 jaar, in het buitengebied nabij Groenekan alles leidend tot het opwekken en geleiden van elektriciteit in deze gemeente.
In een artikel van juni 2001 in St. Maerten dook Wim Hoebink toen nog weer honderd jaar terug en verhaalt hij uitvoerig en goed gedocumenteerd over ‘de komst van het licht in Maartensdijk’. In 4 afleveringen brengen we de elektriciteitsgeschiedenis van meer dan 120 jaar weer in beeld en constateren dat in zowel woordgebruik en beeld meer overeenkomsten dan verschillen zijn. Henk van de Bunt
![]()
Vanaf 1906 legde men in de gemeente De Bilt een elektriciteitsnet aan; hier de elektriciteitspalen in de Biltse Nieuwstraat, waarlangs de stroom vanuit de fabriek in deze straat geleid werd. - (foto Utrechts Archief)
![]()
Gedrukte reproductie (autotypie) van een anonieme prent op de nieuwjaarswens van de lantaarnopstekers uit het jaar 1847, afkomstig uit: N.V. Koperpletterij en Metaalhandel voorheen H. de Heus en Zoon. - (foto Utrechts Archief)
![]()
Gezicht (met lantaarnpaal) op de Koningin Wilhelminaweg te Groenekan tijdens winterse omstandigheden in 1965. - (foto Utrechts Archief)















