In 1923 werd het net uitgebreid aan de Molenweg in M' dijk vanwege de bouw van een zogenoemde bijzondere school aldaar. In 1909,  had B.J. Gebhard, tuinbaas op het landgoed Eijckenstein en zondagsschoolonderwijzer het initiatief genomen tot de oprichting van de lokale vereniging School met den Bijbel. De school startte in 1923 met ruim vijftig leerlingen.
In 1923 werd het net uitgebreid aan de Molenweg in M' dijk vanwege de bouw van een zogenoemde bijzondere school aldaar. In 1909, had B.J. Gebhard, tuinbaas op het landgoed Eijckenstein en zondagsschoolonderwijzer het initiatief genomen tot de oprichting van de lokale vereniging School met den Bijbel. De school startte in 1923 met ruim vijftig leerlingen. Foto: uit digitale archief Rienk Miedema

De komst van het licht in Maartensdijk (slot)

3 februari 2023 om 09:00 Algemeen

De overeenkomst

advertentie

In de laatste vergadering (december) van de gemeenteraad in 2022 werd het besluit genomen een zonnepark te realiseren met een maximale instandhoudingstermijn van 30 jaar, in het buitengebied nabij Groenekan alles leidend tot het opwekken en geleiden van elektriciteit in deze gemeente. 

In een artikel van juni 2001 in St. Maerten dook Wim Hoebink toen nog weer honderd jaar terug en verhaalt hij uitvoerig en goed gedocumenteerd over ‘de komst van het licht in Maartensdijk’. In 4 afleveringen brachten wij de elektriciteitsgeschiedenis van meer dan 120 jaar weer in beeld en constateerden dat in zowel woordgebruik als beeld er meer overeenkomsten dan verschillen zijn.                         Henk van de Bunt

De 25ste februari 1920 werd een historische zitting van de Maartensdijkse gemeenteraad.

In die vergadering stemde de lokale volksvertegenwoordiging in met het PUEM-plan. 

Die instemming was voorwaardelijk. De raad wilde nog wel even hard gemaakt hebben dat er voldoende gegadigden waren. Tevens werd het college gevraagd pogingen in het werk te stellen om alsnog Hollandsche Rading in het plan te doen opnemen. Jongerius wist de raad nog tot een intentieverklaring te verleiden. De raadsleden zegden nl. op zijn verzoek medewerking toe, indien er plannen zouden komen voor de elektrificatie van het Haverland. Mogelijk overwoog hij zelf met een deelplan te komen. Nog altijd was zijn hoop gevestigd op stroomlevering door de meest nabije centrale: het GEB van Utrecht. Terloops zij opgemerkt, dat er in deze jaren sprake was van het begin van een cultuuromslag in de raad. Er waren raadsleden die verder gingen dan de gebruikelijke controle van het college. Zij gingen op onderzoek, deden voorstellen en zetten daarmee de toon.

Astronomisch
In maart kon burgemeester Quarles van Ufford het college meedelen, dat er 150 gegadigden waren. Dat werd, om te kunnen beginnen, een voldoende aantal geacht. Een rapport van de PUEM over elektrificatie van Hollandsche Rading werd wegens de hoge kosten aangehouden. Er was meteen een hoop werk aan de winkel. Geheel volgens het werkschema van de PUEM werd opgericht een Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf. Ten behoeve van deze naamloze vennootschap ging de gemeente een lening aan van 75.000 gulden bij de Maatschappij voor Gemeente Crediet te Amsterdam. Het geld diende in hoofdzaak voor de bouw van het geplande net met inbegrip van de transformatorhuisjes. Lenen werd in Maartensdijk nauwelijks passend geacht. Laat staan zo’n astronomisch bedrag. Maar Vossenstijn, de bankier in het college, had er zonder reserve mee ingestemd.

Werk in uitvoering 
Tegelijkertijd begon de PUEM met de aanleg van de hoogspanningsgeleidingen en de bouw van de bijbehorende transformatorstations. In de rest van het jaar 1920 en een deel van 1921 legde de buitendienst van het bedrijf het geplande bovengrondse net aan in Maartensdijk. Het was een karwei dat technische vaardigheid vereiste maar ook lichamelijke inspanning vergde. De houten palen waartussen de lijnen werden gehangen wogen 200 kilo per stuk. Spectaculair was het zgn. slaan van een bokpaal. De laatste was een combinatie van twee masten. Die werden bovenaan in een bepaalde hoek aan elkaar bevestigd. Daarna werd een lang, breed en diep gat gegraven. Na al deze werkzaamheden werd de bokpaal daarin geplaatst en rechtgezet. Het was een ingewikkelde en tijdrovende klus. En vervolgens ging het werk weer gestadig voort, vak na vak. In totaal werden langs verharde wegen in eerste aanleg ruim 150 enkelvoudige en zo’n 50 bokpalen gezet. Aan deze staanders werden de porseleinen isolatiepotjes bevestigd en daartussen de draden gehangen. Het leek overigens simpeler dan het was. De monteurs verrichtten heel wat technische hoogstandjes. Kinderen op weg naar school keken vol ontzag toe. En huiswaarts kerend zagen zij de vorderingen. In 1921 was Maartensdijk twee kleine bakstenen gebouwtjes rijker. Het ene was geplaatst aan het begin van de Ruigenhoeksedijk, het andere even ten oosten van de weg naar Maartensdijk net voorbij de Nieuwe Wetering. Beide waren van baksteen en hadden een schuin dak met dakpannen. Er werd dan ook gesproken van transformatorhuisje(s). De vriendelijke uitstraling versluierde enigermate het puur technische van de functie.

Hooitransport
Het tot stand brengen van al deze voorzieningen voltrok zich in de openbaarheid. Met name de raadsleden volgden het gebeuren op de voet. Dat leidde vervolgens tot de nodige vragen en opmerkingen in de vergaderingen. Enkele ervan worden uit de notulen van die jaren gelicht. Wethouder Van Boetzelaer vond ergens in het dorp M’ dijk een lantaarn misplaatst staan. Louis Copijn vroeg hoe het nu verder moest met Hollandsche Rading. Heikamp wilde inlichtingen over aansluiting van bewoners, die het zelf niet konden betalen. Het raadslid G. van Ekris was van mening, dat sommige elektrische draden te laag hingen. Dat zou moeilijkheden kunnen opleveren bij het vervoer van hooi. Voor hem was de oude situatie kennelijk nog maatgevend. Want hij vroeg ook of het niet mogelijk was de straatlantaarns bij lichte maan niet te laten branden. Heikamps waarnemingen leken soms wel wat gekleurd. Hij wees erop, dat de lantaarns in Groenekan werden geplaatst bij de meest gegoeden. Wethouder Vossenstijn trok het zich aan. Hij repliceerde, dat de nieuwe lantaarns waren gezet op de plaats van de oude. Jongerius bleef vasthoudend opkomen voor de verlichting van zijn Haverland en wijde omgeving. Ook in de hoogtijdagen van de ‘petrolie’ had de raad aanschaf, plaatsing en verplaatsing van iedere openbare lantaarn besproken. Bij al de bemoeienis van nu vergat zij de ontbranding van de eerste openbare peer plechtig te vieren. Het zou trouwens een viering rond de tweede zijn geworden. Steinenburg had nu een keer de primeur van het licht.

Hollandsche Rading
Jongerius’ hoop op stroomlevering door het GEB-Utrecht aan de stadrandzone was intussen ijdel gebleken. Maartensdijk wenste de elektrificatie nu verder zelf te klaren. De PUEM steunde dit beleid. Ten teken daarvan verkocht de Vennootschap in juni 1921 tegen een billijke prijs het geleidingsnet langs de Groenekansche Dijk aan het GEB-Maartensdijk. De voeding kwam nu niet meer uit De Bilt maar vanuit het transformatorhuisje in Groenekan. De capaciteit van dit net werd daarmee aanzienlijk vergroot. Het zich gestadig uitbreidende ‘villapark Voordaan’ kon er derhalve ook op worden aangesloten. In oktober 1921 werd over deze aansluiting een akkoord bereikt met de ‘NV Algemene Bouw en Exploitatie Maatschappij Voordaan’. Ingewikkelder maar niet onoplosbaar was de elektrificatie van Hollandsche Rading. De bouwkosten van een uitbreiding van het net naar dit gehucht werden door de PUEM geschat op ruim 20.000 gulden. De geraamde jaarlijkse opbrengst zou volgens haar berekening de kosten niet dekken. Maar op verzoek van belanghebbende ingezetenen liet het college ter plekke een lijst circuleren. Daarop kon eenieder vermelden voor welk bedrag aan stroomafname hij of zij per jaar garant wilde staan. En dat dan gedurende vijf jaar. De totale intekening was zodanig, dat het Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf (in feite de raad) de PUEM-opdracht gaf tot bouw van het net over te gaan. Om die bouw te kunnen betalen leende de gemeente 23.000 gulden bij de Boerenleenbank in De Bilt. Uiteraard bemiddelde Vossenstijn. Al gauw bleek dat niet alle intekenaren hun belofte gestand deden. Dat viel tegen, doch geen nood. Er waren in De Rading de nodige huizen in de maak en daarmee nieuwe aansluitingen in zicht. Er was alle hoop, dat de investering op termijn gezien verantwoord zou blijken te zijn. Zo dacht de provincie er ook over. Want in februari 1922 kwam het bericht van Gedeputeerde Staten, dat het raadsbesluit tot het aangaan van genoemde geldlening was goedgekeurd.

Brug te ver
Ook in 1922 en 1923 werden er nog telkenmale raadsbesluiten genomen over onderdelen van het gebouwde net. Om een enkel voorbeeld te noemen: plaatsing van een lantaarn op de Veldlaan in Groenekan, uitbreiding van het net aan de Molenweg in M’ dijk vanwege de bouw van een zogenoemde bijzondere school aldaar, plaatsing van een lantaarn bij de overweg van de Nieuwe Wetering, reparatie van lampen in Blauwkapel, aansluiting van een perceel in De Rading op basis van een speciaal contract, verplaatsing van een bokpaal aan de Ruigenhoek vanwege hinder voor het verkeer en nog veel meer. Op basis van deze en voorgaande besluiten én de daarbij verstrekte informatie zou welhaast een wegenkaart van de toenmalige gemeente samengesteld kunnen worden. Aan een zodanige compositie der gegevens zouden dan het Haverland, de Hooge Dijk en het Zwarte Water ontbreken. Want wat betreft elektrificatie was over dat gebied, met zijn schaarse bevolking en laag gehalte aan hoofdelijke omslag, nog steeds geen besluit genomen. Jongerius vroeg niet aflatend om licht voor alle bewoners daar, ongeacht rang en stand. Heikamp stond pal voor degenen, die geen aansluiting konden betalen. Maar het GEB-Maartensdijk kon het leveren van stroom aan die brede grenszode met Utrecht financieel niet rondkrijgen. Of werden deze contreien inmiddels al tot het verzorgingsgebied van de PUEM gerekend?

Rechtstreeks
De elektrificatie van het Haverland e.o. werd inderdaad uiteindelijk door de PUEM geregeld. Om die gang van zaken toe te lichten dient aangeknoopt te worden bij ontwikkelingen op provinciaal niveau. Met de oprichting in 1922 van het Pegus was de PUEM NV definitief een zuiver distributiebedrijf geworden. Tot dat jaar was de praktijk geweest dat de Vennootschap elektriciteit en gros verkocht aan gemeentelijke elektriciteitsbedrijven. Die zorgden op hun beurt voor levering van het product aan de afnemers. Daarbij werd een GEB ook nog eens technisch en administratief ondersteund door de PUEM. Het resultaat van dit beleid mocht er zijn. Er ontstond eenheid in tarieven en technisch opzicht. Maar de PUEM vond zo’n GEB als schakel tussen haar en de verbruiker steeds bezwaarlijker. De elektriciteitsvoorziening kon beter worden gediend als de Vennootschap de laagspanningsnetten overnam en réchtstreeks aan de klant ging leveren. Het bleek dat de meeste gemeentebesturen de overname wenselijk achtten. De Vereeniging van Ned. Gemeenten afd. Utrecht stond erachter.

Overdracht
Maartensdijk had er ook geen moeite mee. In de raadsvergadering van 20 januari 1923 kwam het voorstel tot overdracht van het GEB aan de PUEM aan de orde. De directeur van de Vennootschap Ir. C. Noome was in hoogsteigen persoon aanwezig en gaf toelichting. Na enige gedachtewisseling werd het voorstel met algemene stemmen aangenomen. Nog in datzelfde jaar nam de PUEM de drie aangegane geldleningen van het GEB-M’dijk over, uiteraard minus de aflossingen van 1921 en ‘22. In het overleg aangaande deze transactie werd de elektrificatie van het Haverland e.o. onder de aandacht gebracht. Eind november had Maartensdijk zijn lokale net verkocht. In mei 1924 brandden de eerste lantaarns aan de Hooge Dijk en in het Haverland. Voor wat betreft de verlichting van straten en gebouwen was de gemeente nu klant van de PUEM. Nog in datzelfde jaar werd begrotingspost nr. 64 ‘straatverlichting’ met 750 gulden verhoogd en gebracht op 3.000 gulden.

Slotopmerkingen
De verkoop van het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf voltrok zich voor de mensen van toen onzichtbaar. Dezelfde meteropnemer bleef komen. Na verloop van nog een aantal jaren had nagenoeg elk huis een aansluiting. Kleine en grotere bedrijven gingen krachtstroom afnemen, als eerste de Eskem in Groenekan. Het waterschap Maartensdijk ging over op elektrische bemaling. Op de hoog hangende draden langs de wegen zaten regelmatig zwaluwen. Meester Stoffels kon uitleggen waarom ze niet dood neervielen. Jacob Melissen noemde zo’n rijtje wiebelig zittende vogels een notenbalk. Mensen stonden ervan te kijken als een monteur van de PUEM met gebruikmaking van zgn. klimschaatsen een paal van het laagspanningsnet beklom om onderhoud te plegen. De eerste kwajongen richtte zijn ‘katapult’ op een porseleinen potje van het bovengrondse net. Maar de jeugdige vandaal werd snel opgespoord. De euveldaad kwam hem te staan op een zware uitbrander van rijksveldwachter Kamerbeek. Zo’n verbale afstraffing werkte door in de kring der kornuiten. Bij de voorjaarsschoonmaak vielen door geopende ramen de eerste stofzuigers te beluisteren. De zuigers werden gevolgd door elektrische strijkbouten en idem theelichtjes. Tenslotte had iedere straat, zelfs de Veldzichtstraat, zijn palen en daaraan bevestigde leiding. Niet zo lang daarna begon de PUEM opnieuw te graven. Langzaam maar zeker werd het bovengrondse net gesloopt. Nauwelijks merkbaar voor de klant werd het transport van stroom geheel verkabeld. De kabels werden aan de aarde toevertrouwd. Eind jaren zeventig waren hier alle sleuven gedicht. De toen laatst neergehaalde paal in Maartensdijk zou nu wellicht overeind gebleven zijn: als een monumentaal verticaal relict. Wel lastig om in stand te houden, vanwege die boktor.


Vanaf 1923 gingen kleine en grotere bedrijven krachtstroom afnemen, als eerste de ESKEM in Groenekan: In 1918 was daar de Eerste Stichtsche Kopergieterij en Metaalwarenfabriek gestart.  - (foto Fred Meijer)


Vanaf 20 mei 1892 is aan de Groenekanschedijk (tegenwoordig Groenekanseweg 170-172) in Groenekan één van de weinige winkels in het dorp gevestigd: de kruidenierswinkel van Dirk Ravestein (1867-1945).  - (foto uit digitale archief Rienk Miedema)


In 1922 werd er een lantaarn geplaatst op de Veldlaan in Groenekan. Villa de Uitkijk (nr. 7-9) was oorspronkelijk het koetshuis, behorend tot het landgoed Voordaan dat in het bezit was van de familie Grothe. - (foto Utrechts Archief)

Vanaf 1923 gingen kleine en grotere bedrijven krachtstroom afnemen, als eerste de ESKEM in Groenekan: In 1918 was daar de Eerste Stichtsche Kopergieterij en Metaalwarenfabriek gestart.
Vanaf 20 mei 1892 is aan de Groenekanschedijk (tegenwoordig Groenekanseweg 170-172) in Groenekan één van de weinige winkels in het dorp gevestigd: de kruidenierswinkel van Dirk Ravestein (1867-1945).
In 1922 werd er een lantaarn geplaatst op de Veldlaan in Groenekan. Villa de Uitkijk (nr. 7-9) was oorspronkelijk het koetshuis, behorend tot het landgoed Voordaan dat in het bezit was van de familie Grothe.