
Jappenkampervaringen door de ogen van een kind
23 juli 2024 om 09:00 Algemeendoor Guus Geebel
advertentie
Nadat op 7 december 1941 Japan Pearl Harbour aanviel en de Verenigde staten ook partij in de oorlog werden begon de totale Tweede Wereldoorlog. Nederland verklaarde een dag later de oorlog aan Japan. In januari 1942 viel Japan geleidelijk Nederlands-Indië binnen en Nederlanders werden kort daarna geïnterneerd in kampen.
Jaap Liezenberg werd op 18 oktober 1938 in Leiden geboren. Op eenjarige leeftijd ging hij met zijn ouders met het passagiersschip de Oranje vanuit Lissabon via Kaap de Goede Hoop naar Nederlands-Indië. ‘Het was november 1939 en de Oranje mocht vanwege oorlogsdreiging niet door Het Kanaal varen, dus voeren we eerst vanuit Rotterdam met een kleiner schip naar Lissabon. De vader van Jaap was hoofd van de chirurgische afdeling van de universiteit Leiden en werd gevraagd om in Medan op Sumatra te komen werken.
Kampen
‘Dat verhaal heb ik uiteraard van horen zeggen. Mijn levensherinnering begint op maandag 13 april 1942 als mijn moeder, ik en mijn zusje, die in 1940 was geboren, op de esplanade voor het station in Medan in de brandende zon staan te wachten op de trein naar ons eerste kamp in Gloegoer, ten noorden van Medan, waar we maar kort verbleven. Eind mei 1942 werden we verplaatst naar een vrouwenkamp in Poelau Brajan dat in een woonwijk voor personeel van DSM (Deli Spoorweg Maatschappij) lag.’ In Poelau Brajan vond onderhoud plaats aan wagons en locomotieven. Het gehele complex bestond uit 5 blokken: A, B, C waren huizen voor inheemse employees van DSM, D huizen voor Europese employees van de maatschappij en in E stonden koelieloodsen en enkele huisjes. ‘Wij hadden een huisje in blok D.’
Capitulatie
De vader van Jaap Liezenberg was direct na de aanval op Rearl Harbour als officier van gezondheid opgeroepen voor militaire dienst en kwam terecht in Kota Radja, in Atjeh. Tot januari 1943 werkte hij daar onder de Japanners. Hij vluchtte met zijn operatieteam naar Takengon ook in Atjeh. Daar werden ze gearresteerd wegens hulp aan de verzetsgroep van luitenant Henri van Zanten. Via gevangenissen kwamen ze terecht in een mannenkamp in Si Rengorengo, gelegen op zo’n acht kilometer ten westen van Rantau Prapat. Het kamp was operationeel tussen 1 oktober 1944 en 24 augustus 1945. Contact met de vader van Jaap Liezenberg was er al die tijd alleen toen hij in Atjeh zat. Toen was er af en toe een gesmokkeld briefje. Van het weerzien met zijn vader na de capitulatie van Japan weet hij zich niets te herinneren. ‘Ik weet alleen dat we in oktober in een huis aan de Kanonnenweg in Medan terecht kwamen waar mijn vader ook bij was. Kort daarna gingen we naar ons eigen huis dat keurig door een Japanner was achtergelaten.’ Zijn vader bleef tot 1959 in Indonesië.
Voedsel
‘Mijn moeder, ik en mijn zusje van verbleven van 12 april 1945 tot begin oktober 1945 onder bescherming van de Japanners in het vrouwenkamp AEK Pamienke I.’ Jaap Liezenberg herinnert zich dat hij in de kampen waar hij gezeten heeft heel veel met voedsel bezig was. ‘We zaten in een huisje tegen een heg aan en in de ruimte daartussen had ik een moestuintje. Ik was steeds op jacht naar slakken. Die sneden we in kleine blokjes en bakten die in hun eigen vet. Van het rantsoen dat ze in het kamp kregen kan hij zich niets herinneren. Hij vertelt wel dat daar latrines waren die vaak overstroomden en waar bajem, een soort spinazie, snel op groeide. Die verzamelde hij, het werd gekookt en was een enorme voedselbron. Hij is nooit ziek geweest.
Moeder
Zijn moeder was lerares en verpleegster. Zij had schoolboekjes meegesmokkeld. ‘Ik kreeg les van haar en schrijven deden we in het zand wat eigenlijk niet mocht. Ik kwam zo zonder leerachterstand uit het kamp. De vrouwen in het kamp waren fantastisch. Ik heb nooit enige angst gevoeld. Ik had altijd wat te doen en mijn moeder, die heel krachtig was, was altijd bezig met zieke mensen. Japan capituleerde op 15 augustus 1945, maar wij hoorden dat pas op 24 augustus. Toen werd er feest gevierd. Het leuke van die tijd was dat wij als kinderen het kamp uit mochten, volwassenen vanwege het gevaar niet. We hebben toen een fantastische tijd gehad. In het begin na de bevrijding kreeg ik ikan teri (kleine gebakken ansjovisjes) te eten en leerde ik omdat ik altijd op blote voeten had gelopen voor het eerst op schoenen lopen.’
Hobbemalaan
Jaap kwam in 1952 naar Nederland. ‘Mijn grootmoeder kocht in 1932 toen ze weduwe werd een huis in aanbouw aan de Hobbemalaan in Bilthoven. Mijn vader kreeg in zijn team in Medan meteen na de oorlog een arts uit het Rode Kruisteam Nederland. Het was dokter Albricht, een huisarts uit Bilthoven die een schot in zijn voet had gekregen en geopereerd moest worden. Hij kwam uit de Hobbemalaan in Bilthoven. Ze kwamen met elkaar in gesprek en hij vertelde mijn vader dat zijn moeder de oorlog had overleefd. Toen ik in 1947 met moeder en zus een jaar naar Nederland kwam ging ik naar de Van Dijckschool en toen ik in 1952 voorgoed terugkwam ging ik bij het gezin van dokter Albricht in de Hobbemalaan wonen.’ Jaap doorliep Het Nieuwe Lyceum, ging studeren en werd geoloog in Leiden. Hij werkte tot zijn pensioen bij het onderzoekslaboratorium Aardwetenschappen, als wetenschappelijk medewerker bij de Universiteit Utrecht. Hij deed veel onderzoek voor Shell en de gasvelden in Groningen.
Herdenking
Op donderdag 15 augustus om 13.30 uur vindt bij het oorlogsmonument naast gemeentehuis Jagtlust de negenenzeventigste herdenking van de capitulatie van Japan plaats. Er worden toespraken gehouden door burgemeester Sjoerd Potters, comitévoorzitter Romulo Döderlein de Win van het herdenkingscomité en de heer Kortz. De herdenking wordt afgesloten met een defilé.













