Gezicht op de Biltsestraatweg rond het Fort De Bilt, met een groep soldaten, uit het zuiden; op de achtergrond de uitspanning 't Kalfje aan de Biltsestraatweg te Maartensdijk. Dit gedeelte van de Biltsestraatweg is per 1 januari 1954 bij de gemeente Utrecht gevoegd.
Gezicht op de Biltsestraatweg rond het Fort De Bilt, met een groep soldaten, uit het zuiden; op de achtergrond de uitspanning 't Kalfje aan de Biltsestraatweg te Maartensdijk. Dit gedeelte van de Biltsestraatweg is per 1 januari 1954 bij de gemeente Utrecht gevoegd. Foto: foto het Utrechts Archief

De komst van het licht in Maartensdijk (2)

12 januari 2023 om 09:00 Algemeen

Vervolg……..

advertentie

Rondom deze tijd wordt de gemeenteraad van De Bilt voorgesteld besluiten te nemen tot de realisatie van een zonnepark met een maximale instandhoudingstermijn van 30 jaar, in het buitengebied nabij Groenekan alles leidend tot het opwekken en geleiden van elektriciteit in deze gemeente. 

In een artikel van juni 2001 in St. Maerten dook Wim Hoebink toen nog weer honderd jaar terug en verhaalt hij uitvoerig en goed gedocumenteerd over ‘de komst van het licht in Maartensdijk’. 

In vier afleveringen brengen we de elektriciteitsgeschiedenis van meer dan 120 jaar weer in beeld en constateren dat in zowel woordgebruik en beeld meer overeenkomsten dan verschillen zijn.                        Henk van de Bunt

In de vorige aflevering vertelden we over de komst van de eerste lantaarns in De Bilt en eindigden we met de ontwikkeling van het villawijkje Steinenburg.

De bewoners waren forenzen: zij werkten in Utrecht en kerkten in De Bilt. De halte van de paardentram was zogezegd voor de deur. Maar de Steinenburgers waren verstoken van enige publieke voorziening. Een lantaarn aan de straatweg en eentje op de Steinenburgerlaan zou geen luxe zijn. Maar vooral belichting van de dam, die vanaf de grote weg toegang gaf tot deze nederzetting, werd urgent geacht. Bij het oversteken in het donker kon iemand licht te water raken. Als ingezetenen der gemeente konden de bewoners aldaar aanspraak maken op een voorziening. In augustus 1905 verzochten zij om drie straatlantaarns. Ontdaan over dit aantal beschikte de raad in eerste aanleg afwijzend. Maar raadslid H. Copijn kwam met een interessant compromis. Hij stelde voor het leveren en plaatsen van het gevraagde aantal lantaarns te bekostigen en het verbruik te vergoeden. Het aansteken en blussen zou evenwel voor rekening moeten komen van de bewoners. Zij zouden het dus moeten stellen zonder een door de gemeente betaalde aansteker. Maar daar stond het royale gebaar van drie lampen tegelijk tegenover. De raad stemde in met dit compromisvoorstel.

Grensoverschrijdend
Misschien slaagden de bewoners van Steinenburg er inderdaad in nu verder zelf de bediening der lantaarns op te lossen. Hoe het ook zij; de onvolledige regeling had uiteindelijk toch ook nog een curieus vervolg. In juni 1906 ontving de gemeente een schrijven, dat betrekking had op dit woongebied. Het stuk was afkomstig van de expansieve elektriciteitsmaatschappij in De Bilt. Voorgesteld werd het gedeelte der Biltsche straatweg behorend tot de gemeente Maartensdijk ‘over een lengte van zo’n 1000 meter, met 8 elektrische gloeilampen te verlichten’. Kennelijk had het elektrische net ter plekke de grens met Maartensdijk bereikt. De raad liet de centrale weten de noodzaak van deze lampen niet te zien. In september 1911 ontving het Maartensdijks college van een aantal Steinenburgers opnieuw een verzoek om straatverlichting. Kort daarop verzocht gemeentesecretaris E. Kwint de centrale in De Bilt om een opgave van de kosten voor ‘het plaatsen en doen branden van een lamp’.

Wat gebeurde er na 1906? Was het net inmiddels toch 1000 meter verlengd of misschien tot en met Steinenburg? De notulen van het Maartensdijks college noch die van de raad geven een antwoord op die vragen. Misschien hadden de bewoners van dit ver afgelegen villawijkje zelf een toereikende verlenging van het net bewerkstelligd. Dat was mogelijk als een voldoende aantal een bepaalde stroomafname per jaar wilde garanderen. Hoe het ook zij, blijkbaar waren de condities aanwezig om daar op Maartensdijks grondgebied, een elektrische lantaarn te doen ontbranden.

De offerte
De offerte, waarom Kwint had gevraagd, bleek tegen te vallen. Het jaarlijks te betalen bedrag aan stroom voor zo’n nieuwerwets pitje was twee keer zo hoog als de brandstof voor een petroleumlamp. Zeker aan zo’n gloeilamp zat ook een voordeel. De zelfbediening door de Steinenburgers van de petroleumlantaarns was niet altijd vlekkeloos verlopen. Maar met zo’n publieke gloeilamp zouden deze bewoners verzekerd zijn van een automatisch ontbranden op een vastgesteld tijdstip. Niettegenstaande deze overweging werd toch nog een poging gedaan om iets van de prijs af te krijgen en deze te doen vaststellen op F. 25,- per jaar. Maar de elektriciteitsmaatschappij bleek niet te vermurwen.

De prijs voor een eenheid stroom kwam nu een keer niet via handjeklap tot stand. In arren moede besloot de raad de lamp dan maar aan te schaffen. Zij werd geplaatst bij de eerder beschreven dam. Het was de eerste openbare gloeilamp in Maartensdijk. Zelfs bij maanlicht brandde de lantaarn tot in de late avonduren. Het was een geld verspillende nieuwlichterij, de gemeente opgedrongen door stadse forenzen.

Het GEB
Zeker tot 1900 ontstonden de meeste elektriciteitscentrales door particulier initiatief. Als voorbeeld kwam die van De Bilt ter sprake. Maar na de eeuwwisseling gingen verschillende gemeenten de elektriciteitsvoorziening zelf ter hand nemen. Dat deed bijvoorbeeld Utrecht. Eind 1902 werd al een voorstel hiertoe aangenomen door de raad. Om verzekerd te zijn van een constante afname van stroom werd maar meteen besloten een elektrisch tramnet aan te leggen. In november 1905 leverde het Gemeente(lijk) Electriciteitsbedrijf (het GEB) de eerste stroom. In de beginjaren viel het bedrijfsresultaat wat tegen. Maar zo omstreeks 1910 ging de afzet zowel voor licht als kracht gunstig lopen. Derhalve werd onderzocht of het mogelijk was concessies te verwerven voor stroomleverantie aan naburige gemeenten. Behalve Zuilen, Jutphaas, Maarssen en Vleuten werd ook Maartensdijk op de acquisitielijst geplaatst.

Niet rendabel
In het voorjaar van I911 kreeg het gemeentebestuur van Maartensdijk inderdaad een brief van de directeur van het GEB. Er kwam overleg op gang maar al spoedig bleek dat deze boerengemeente voorlopig niet in aanmerking kwam. De verschillende ertoe behorende gehuchten lagen te ver van Utrecht en van elkaar. Met lange kabels en draden en weinig aansluitingen viel geen of te weinig winst te behalen. En rentabiliteit stond bij het GEB op de eerste plaats. Voor niks ging de maan op. Het perspectief voor dat landelijke gebied tussen Utrecht en Hilversum werd ook al niet gunstig geacht. De groei van de autochtone bevolking was weinig spectaculair. En op die vochtige en venige grond viel beslist geen explosieve villabouw te verwachten. De trek was naar de droge zandgrond van De Bilt-Station (Bilthoven). Daar was het pas gezond buiten wonen. Al evenmin zou in Maartensdijk met zijn middeleeuwse vaarten en weteringen de grootindustrie neerstrijken. Daarvoor was een Merwedekanaal vereist als in het (nog) landelijke Zuilen. Werkspoor uit Amsterdam maakte zich op om daar aan dat brede vaarwater een fabriek te vestigen. Het GEB had zich geen betere grootverbruiker kunnen voorstellen. Wat betreft de aangeschreven gemeenten werden de onderhandelingen voortgezet met o.a. Zuilen, Vleuten, Jutphaas en Maarssen. In die volgorde leidde dat tussen 1911 en 1918 tot contracten. Het dunne dossier ‘Maartensdijk’ ging in een bureaula van het GEB aan de Nic. Beetsstraat.

Nieuws
De provinciale besturen maakten zich intussen danig zorgen over de dreigende onevenwichtigheid van de elektriciteitsvoorziening. Particuliere en gemeentelijke bedrijven bouwden onvervaard netten in gebieden waar winst gemaakt kon worden. Dunbevolkte gemeenten bleven bijgevolg verstoken van elektriciteit. Maartensdijk was daarvan een voorbeeld bij uitstek. In omringende gemeenten nam de openbare en particuliere consumptie van elektriciteit gestadig toe. Maar bestuur en andere ingezetenen van Maartensdijk maakten voor interne en externe verlichting nog altijd (spaarzaam) gebruik van petroleum, kaarsen en carbid. Velen gingen doorgaans met de kippen op stok en verlieten sponde of bedstede al reeds bij het krieken van de dag. Maar wie ‘s avonds bij het licht van een olielamp ‘Het Nieuws’ bijhield wist dat er wel degelijk iets te gebeuren stond. Uit de rubriek ‘Regionale berichten’ kon worden opgemaakt, dat het provinciaal bestuur in een stroomversnelling was geraakt.

Productie en distributie
In 1916 kreeg de provincie een rijks concessie (vergunning) voor de elektriciteitsvoorzieningen haar gebied. Voorwaarde van het rijk was, dat stroomleverantie voor elke gegadigde gewaarborgd moest zijn. In 1916 werd vervolgens opgericht de N.V. Provinciale Utrechtsche Electriciteits Maatschappij, afgekort PUEM. Zoals vermeld, het GEB produceerde (sinds 1905) elektriciteit en leverde deze aan de stad Utrecht en enkele buurgemeenten. De PUEM betrok, voor het grootste gedeelte, stroom van het GEB en voorzag er een toenemend aantal van de overige gemeenten van. Het doel van de provinciale Vennootschap was op termijn de gehele provincie van stroom te voorzien en daarbij de op winst beluste, particuliere lokale centrales uit te schakelen. De PUEM trok zich als nutsbedrijf allereerst het lot aan van de onrendabele gebieden. Als zodanig zou ook Maartensdijk in beeld komen. Maar voor het zover was zou de Groenekanse beurtschipper nog menigmaal heen en weer op Utrecht varen.

Wordt vervolgd.


Gezicht in de Biltsestraatweg te Maartensdijk met links het café-restaurant Steinenburg, uit het westen. N.B. Dit gedeelte van de Biltsestraatweg is per 1 januari 1954 bij de gemeente Utrecht gevoegd.  - (foto het Utrechts Archief )


Steinenburg of Steijnenburg; op de kaart staat De Bilt, maar dat is ten onrechte, omdat Steinenburg niet altijd (toen) Bilts grondgebied was.  - (foto het Utrechts Archief )


Gezicht op het Westeinde, de kruising Tolakkerweg/Groenekanseweg/Tolakkerweg te Groenekan uit het westen; met rechts de voorgevel van de (voormalige) herberg De Groene Kan. In 1948 is de straatnaam van dit gedeelte van de Tolakkerweg gewijzigd in de Kon. Wilhelminaweg. - (foto het Utrechts Archief )

Gezicht in de Biltsestraatweg te Maartensdijk met links het café-restaurant Steinenburg, uit het westen. N.B. Dit gedeelte van de Biltsestraatweg is per 1 januari 1954 bij de gemeente Utrecht gevoegd.
Steinenburg of Steijnenburg; op de kaart staat De Bilt, maar dat is ten onrechte, omdat Steinenburg niet altijd (toen) Bilts grondgebied was.
Gezicht op het Westeinde, de kruising Tolakkerweg/Groenekanseweg/Tolakkerweg te Groenekan uit het westen; met rechts de voorgevel van de (voormalige) herberg De Groene Kan. In 1948 is de straatnaam van dit gedeelte van de Tolakkerweg gewijzigd in de Kon. Wilhelminaweg.