Afbeelding

Op ’t bankje

Algemeen

Ik kijk naar een meisje dat komt aanhollen met een groep schreeuwende kinderen achter zich aan. Het geschreeuw en gegil van de achtervolgers klinkt heel dreigend en het meisje kijkt steeds angstig achterom of ze haar belagers voor kan blijven. Als ze mij ziet zitten komt ze hijgend naast me op het bankje zitten. Ze is helemaal buiten adem en duwt haar betraande gezicht tegen mijn jas. De achtervolgers blijven op enige afstand staan schelden. Wat ze precies roepen dringt niet tot me door, omdat al mijn aandacht uitgaat naar het angstige kind naast mij. Ik zeg niets, maar mijn strenge blik naar de belagers maakt waarschijnlijk indruk. ‘We pakken je nog wel’, hoor ik een meisje dat duidelijk de aanvoerster van het clubje is nog venijnig zeggen, maar ze druipen toch af. Mijn aanwezigheid heeft het meisje voor nu even gered, maar ik vind wel dat het kind naast me blijvende hulp nodig heeft. Als ze merkt dat het gevaar verdwenen is komt ze rechtop zitten. Als ik naar haar verdrietige gezicht kijk krijgt ik medelijden met haar. Ik voel boosheid naar de treiterende kinderen in me opkomen, maar die zijn al niet meer te zien. ‘Ze pesten me altijd’, zegt ze met een snik. ‘Vooral Trix en die stookt de anderen allemaal op, want ze is heel erg bazig. Als de juf in de buurt is durven ze niet, maar na school staan ze me vaak op te wachten. Ik probeer daarom altijd zo gauw mogelijk naar huis te gaan.’ Het arme kind hijgt nog steeds een beetje na. ‘Ik wil naar een andere school want ik kan er niet meer tegen’, zegt ze droef. Ik vraag het meisje of ze er met haar moeder of met de juffrouw over gesproken heeft, maar ze heeft het tot nu toe voor zichzelf gehouden. ‘Trix is jaloers omdat ik altijd hoge cijfers heb en dat kan ze niet hebben want ze wil zelf altijd de beste zijn. Dan zegt ze dat ik een uitslover ben en de anderen doen gauw met haar mee want wie niet met haar meedoet wordt ook gepest. Eerst trok ik me er niet zoveel van aan, want ik had een vriendinnetje en we waren altijd samen. Maar Eva is verhuisd en zit nu in Hilversum op school. Tegen Eva durfde Trix niet maar mij moet ze altijd hebben.’ Ze kijkt hulpeloos en verdrietig voor zich uit. Ik peins wat hieraan te doen is en of ik misschien enige hulp kan bieden. ‘Is je moeder thuis’, vraag ik, maar die blijkt aan het werk te zijn. Anders had ik die kunnen bellen om haar te vertellen wat ik meegemaakt heb en zou ze maatregelen kunnen nemen. Wat nu, ik kan het meisje dat helemaal overstuur is toch niet zomaar aan haar lot overlaten. ‘Ik ga wel even met je mee naar school dan zal ik de juffrouw wel vertellen wat ik gezien heb’, zeg ik na enige tijd. Het meisje kijkt me verschrikt aan. ‘Dan gaan ze me nog meer pesten, nee hoor dat wil ik niet.’ Ik weet haar te overtuigen dat dit toch het beste is omdat de juffrouw er vast wel iets aan kan doen. Met enige tegenzin stemt ze toe dat ik met haar naar school ga. Ik word heel plezierig door de juffrouw ontvangen en dan blijkt dat het pesten zo geraffineerd gebeurt dat het de juf niet is opgevallen. Ze ontfermt zich over het meisje en ik heb de indruk dat ze de pesterijen die het meisje steeds moet ondergaan kordaat zal aanpakken.

Maerten